[terug]

 

Inleiding

Zonder de opstanding van Christus is het Nieuwe Testament ondenkbaar. In het geloofsgesprek hierover staat er dus veel op het spel. Maar vaak gaat het over de opstanding van één persoon, Jezus, en de bekende vraag of het ook “echt gebeurd” is dat zijn gestorven lichaam weer levend is geworden.

Die vragen, waar we soms in vast lijken te zitten, getuigen van een versmalling van de bijbelse boodschap, en deze luidt: God wekt de lichamen van onze doden op uit hun graf om ze een nieuw, verheerlijkt bestaan te geven, voor altijd. Een opstandingslichaam is dus oneindig veel méér dan een lichaam waarvan de dood is ongedaan gemaakt. Die opstanding is verder niet alleen iets dat in de toekomst zal gebeuren. Nee, onze hoop op de opstanding heeft grond omdat de openingszet is gedaan toen Jezus opstond uit de dood. Zijn opstanding en de onze zijn dus niet te scheiden. Paulus getuigt van deze zekerheid met woorden zo fris als een lenteregen, lees 1 Korintiërs 15.

 

Symbolisch en / of feitelijk

Alle christenen zijn overtuigd van de symbolische betekenis van de opstanding. Niemand zegt dat de opstanding als “feit” aanvaard moet worden zonder dat de betekenis ertoe doet. Wat ons verdeelt, is de vraag of de opstanding naast een symbolisch óók een feitelijk karakter heeft.

Waarom is dat lichamelijke zo belangrijk, zowel voor de verdedigers als voor de ontkenners? “Omdat het echt gebeurd is,” zeggen behoudende christenen, en verder komen ze vaak niet. En eigentijdse gelovigen zeggen: “Als de mensen dit moeten geloven, vragen we ze eigenlijk om hun verstand op nul te zetten. Dan nemen ze het mooie dat de kerk te zeggen heeft, ook niet meer serieus.”

Ik wil niet proberen om het geloof in de lichamelijke opstanding logisch verklaarbaar of redelijk te maken. Want als ik er maar even over nadenk, krab ik ook achter mijn oren. Het is onmogelijk. Het is niet redelijk. Doden worden niet levend, dat weet iedereen. En … dat heeft iedereen altijd geweten. Wij overschatten onze tijd als we denken dat twijfel aan een lichamelijke opstanding pas opkwam met de uitvinding van de microscoop. De leerlingen van Jezus zelf geloofden de vrouwenpraat over de opstanding al niet. Paulus werd erom uitgelachen op de Areopagus. Het was natuurlijk de lichamelijke opstanding die het ongeloof en de lachlust opwekte. Want Paulus had best tegen de filosofen op de Areopagus kunnen zeggen dat de opstanding een zuiver symbolisch concept was, en dan hadden ze hem prima begrepen. Volgens de evangelisten droeg de opgestane Heer de kruiswonden aan zijn lichaam. Haast nog verder gaat dat hij gebakken vis at. Dus het bijbels getuigenis wijst erop dat de opstanding van Jezus vanaf het begin óók lichamelijk is opgevat.

Degenen die de opstanding als iets puur symbolisch zien, doen dit (1) omdat ze de bijbelse boodschap meer recht willen doen, en (2) om relevant te zijn voor moderne mensen. Maar ik denk dat ze vaak het tegendeel bereiken.

 

De bijbelse boodschap?

(1) Je zou verwachten dat eigentijdse christenen veel belang hechten aan die bijbelgedeelten waarin de symboliek van de opstanding centraal staat. Naar mijn beleving gebeurt dat nauwelijks. Dat komt denk ik doordat al die gedeelten in de brieven van Paulus staan. En dat is een apostel die in deze stroming wat moeilijk ligt. Dat wij ons oude bestaan moeten kruisigen en gedoopt worden in de dood van Christus om met hem op te staan (Romeinen 6); of dat wij dood zijn in zonden en misdaden en met Christus uit de dood opgewekt worden (Efeziërs 2); of dat we met Christus willen lijden en aan zijn dood gelijkvormig worden om zo te mogen komen tot de opstanding der doden (Filippenzen 3) – dat zijn allemaal goudkorrels die men uit de handen laat glippen met als gevolg dat alleen zware dominees er nog raad mee weten.

Wat ik in plaats daarvan hoor is het volgende. De symboliek van de opstanding betekent: “het verhaal van Jezus is zelfs door de dood niet kapot te krijgen,” “het leven is sterker dan de dood” (wat dit ook moge betekenen), “het goddelijk kind in ons moet door zijn barrières breken,” of, in retro-stijl, “in het woord opstand-ing moeten we ‘opstand’ horen, opstand tegen onderdrukkende structuren.” Op deze manier wordt de opstanding een theologische grabbelton, waaruit we opdiepen wat we er zelf eerst ingestopt hebben.

 

Ja tegen ons lichaam?

(2) De aanhangers van een symbolische uitleg doen vaak inspiratie op bij theologen die, via (diepte)psychologen als Jung, zich oriënteren op de gnostiek. Dit is een oude spirituele stroming die de mens weer in contact met zijn “goddelijke vonk” probeert te brengen door verborgen kennis (gnosis). De grote nadruk op het innerlijk stoelt op een tweedeling in het mens- en wereldbeeld die met het lichamelijke (en in het verlengde daarvan ook met het Oude Testament) moeilijk uit de voeten kan.

Nu is ons lijf een belangrijk thema in onze tijd: we zien het overal om ons heen. Wat is het dan ongerijmd dat we relevant willen zijn voor de moderne mens en het struikelblok van de lichamelijke opstanding willen wegnemen, en dit doen door ons te richten op een theologie die lichamelijkheid tot non-thema verklaart. Maar dat lichaam van ons, dat ons zoveel genot kan brengen, dat we zo gezond, mooi en jong mogelijk proberen te houden, maar dat we ook proberen te onderwerpen door uitzinnig te lijnen, het lichaam waaraan we lijden door verminking of ziekte, het lichaam waarmee steeds meer studentes proberen bij te verdienen in de seksindustrie – ja, dát lichaam wekt God op. Dat heeft ons veel te zeggen over onze omgang met ons lichaam. Je hoeft geen theologische fijnproever te zijn om dat te begrijpen. Een gnosticus heeft natuurlijk een lichaam – daar kan hij niet omheen – alleen, hij heeft er vanuit het evangelie geen boodschap voor.

 

Fabel om fabel

De religieuze machinerie van ons hart wil gevoed worden door geloofsartikelen, van welke soort dan ook. Als ongeloofwaardige dogma’s zoals de opstanding van het lichaam wegvallen, zal het hart vragen om nieuwe geloofsartikelen of ze desnoods zelf maken. En die nieuwe dogma’s zijn helemaal niet geloofwaardiger, was dat maar waar! Zo resten een predikant die niet verkondigt dat God beslissend en verlossend handelt in de opstanding, de rollen van goeroe (om de mens in contact te brengen met zijn diepste kern) of van moralist. Als moralist zal hij ongetwijfeld vertellen dat we moeten streven naar een betere wereld. Dat zeggen moralisten al honderden jaren. En is die betere wereld er ooit gekomen? Integendeel, de 20e eeuw heeft meer slachtoffers geëist dan alle voorgaande eeuwen bij elkaar. Dus menen we dat als we met elkaar onze schouders eronder zetten, (niet) op bepaalde partijen stemmen, nog meer doneren, dat dan het Koninkrijk zichtbaar zal worden, dan geloven we eigenlijk – zonder enige tastbare aanwijzing – dat het lijk van de geschiedenis toch levend zal worden, en dat door onze eigen inspanningen nog wel! Dan ruilen we de ene fabel voor de andere in.

Als God geen mens geworden is – en die gedachte zit in het DNA van de zuiver symbolische opvatting van de opstanding – en Christus en wij niet lichamelijk opstaan en God de geschiedenis niet voleindigt, dan is hij een overbodige hypothese geworden. We kunnen het woord God hooguit tot metafoor verheffen, en ritueel tegen hem spreken. Dan doen we alsof de God die de geschiedenis niet rechtzet, zich wel bezighoudt met het micromanagement van de gebedsverhoring.

 

Alles wordt anders

Door Christus op te wekken plaatst God als het ware zijn handtekening onder het leven van Hem die anders niet veel meer zou zijn dan een falende en zichzelf overschattende leraar. Hij was tóch de messias! Hij was Gods Zoon! De vervloekte was de gezegende!

Aan het kruis nam Jezus de zonde weg en opende hij een fontein van vrijspraak en genade, maar pas toen hij de dood versloeg gaf hij ons de creditcard om van dat oneindig tegoed telkens op te nemen wanneer we het nodig hebben voor de geestelijke strijd, en om vrij te leven, met een koninklijk vertrouwen. Of we dat ook doen…?

Dat God mensen met huid en haar doet opstaan, symboliseert op krasse wijze dat deze wereld zichzelf nooit uit aan de haren uit het moeras zal trekken. Niets minder dan een dodenopwekking door een almachtig God is daarvoor nodig.

En ja, laat ik maar eerlijk zijn, om mij op Gods weg te krijgen was ook een dodenopwekking nodig. Diep in mij woont een ontstellende egoïst die Theo heet, die met Christus moe(s)t sterven om als een nieuw mens op te kunnen staan. Dat deed ik niet zelf, dat kon ik niet, en wilde ik zelfs niet. Dat ik “mijn oude bestaan moet kruisigen” is een rotwaarheid. Maar alleen langs “de dood van ik” krijg ik deel aan het heerlijk leven dat door de opstanding mogelijk is gemaakt.

Met de dood zal tirannen hun sterkste wapen uit handen worden geslagen. Denk je het gezicht van Kim Jong Un of Al-Baghdadi eens in als hun slachtoffers uit de as herrijzen. Eindelijk gerechtigheid!

We hebben geen lichaam, we zijn ons lichaam. Gods toekomstvisie sluit ons lichaam in. God laat wat hij in zijn schepping begon niet los. Zijn toekomst is niet geestelijk, maar hemels en aards tegelijk. En dan krijgt die oude aarde een nieuw gezicht.

De hemel en de aarde / wordt stralende en puur.

God zal zich openbaren / in heel zijn creatuur. (LvdK 288:1b)

 

Theo van der Louw


[Naar boven]